Rolf Strietholt, Olesya Gladushyna & Andrés Strello

Deze blog is vertaald naar het Nederlands door Emilie Franck.

De wereldwijde onderwijsgemeenschap kijkt uit naar de publicatie van de nieuwste PISA-ranglijsten. Deze meten de vooruitgang die 15-jarigen boeken op vlak van lezen, wetenschap en wiskunde, in een diverse groep van ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Een van de algemeen erkende beperkingen van PISA als maatstaf voor het meten van de onderwijskwaliteit, is dat het slechts een beperkt aantal outputs van een onderwijssysteem dekt. Daardoor bestaat het gevaar dat, wanneer landen focussen op het maximaliseren van de prestaties op de PISA-testen, ze de aandacht kunnen afleiden van belangrijke (nog niet gemeten) bijdragen van het onderwijs aan de samenleving. Dit omvat bijvoorbeeld de ontwikkeling van moraal en maatschappelijk engagement. In deze blog gaan we in op dit laatste en bespreken we de discrepantie tussen de PISA-prestaties van landen en de burgschapskennis van kinderen.

Simpele rankings geven een partieel beeld

Om te begrijpen waarom PISA een te simplistisch beeld geeft van de onderwijskwaliteit, is het de moeite waard om stil te staan bij de rol van onderwijs voor de samenleving. In democratische samenlevingen is er een algemene consensus dat scholen niet enkel kinderen moeten voorbereiden op de arbeidsmarkt, maar ook dat ze sociale waarden en actief burgerschap moeten bevorderen.

PISA focust echter voornamelijk op hoe onderwijs bijdraagt aan de economische groei en ontwikkeling van landen. Met dat doel toetst de OESO, de organisatie die de PISA-surveys uitvoert, het niveau van lezen, wiskunde en wetenschappen in een land. Deze drie domeinen worden door OESO-deskundigen beschouwd als de belangrijkste dimensies van het menselijke kapitaal. Hoewel kennis van deze drie domeinen belangrijk is voor vele onderwijsdoeleinden, vereist actief burgerschap meer inzicht in zaken zoals mensenrechten, persvrijheid of financiële donaties aan politieke partijen. In het “post-Truth” tijdperk, waarin radicale populistische bewegingen wereldwijd aan het opkomen zijn, wordt dergelijk burgerschapsonderwijs een steeds belangrijkere kwestie. Nochtans wordt deze kennis tot nog toe niet goed gedekt door PISA.

Vergelijking van de prestaties van leerlingen op wiskunde en burgerschapsvorming

Er bestaan uiteraard ook alternatieven voor PISA, waar bijvoorbeeld het meten van de burgerschapskennis en attitudes van kinderen centraal staan.  De meest bekende transnationale studie op dit gebied is de ‘International Civic and Citizenship Education Study’ (ICCS). Door middel van gegevens van zowel PISA als de ICCS, kunnen we de academische kennis en burgerschapskennis van jongeren in diverse landen vergelijken. Zo’n vergelijking geven we weer in Figuur 1. In deze figuur worden de gemiddelde PISA-testscores op wiskunde (horizontale as) van 2015 vergeleken met de gemiddelde testscores op burgerschapskennis van de ICCS (verticale as) van 2016. Alle Europese en Oost-Aziatische landen die aan beide bevragingen hebben meegedaan, werden betrokken in Figuur 1 (Latijns-Amerikaanse landen werden niet meegenomen in de vergelijkingen omdat ze vaak veel lager scoren op internationale toetsen).

Figuur 1. Gemiddelde prestaties inzake wiskunde en burgerschapskennis, op landniveau (pearson’s R = .51)

De figuur illustreert duidelijk dat er een grote variatie is in de burgerschapskennis van landen die een vergelijkbare geografische, historische en culturele achtergrond hebben, en waar jongeren vergelijkbare PISA-testscores behalen. Hong Kong, Korea en Taiwan zijn bijvoorbeeld allemaal toppresteerders inzake wiskunde, maar hun resultaten inzake burgerschapskennis verschillen tot 66 testpunten (wat gelijk is aan meer dan een jaar extra scholing). Hetzelfde geldt voor Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden: ze behalen allemaal ongeveer het internationale gemiddelde inzake wiskundeprestaties, maar hebben een zeer hoog niveau van burgerschapskennis. In dat opzicht zijn het dus eerder de jongeren in de Scandinavische landen (in plaats van Oost-Aziatische landen) die het best scoren.

Het PISA poster kind: een valse belofte

Verschillende toetsen leiden tot verschillende conclusies over educatieve prestaties. Bijgevolg zou het gewoon naïef zijn te geloven dat de output van een onderwijssysteem (of om het even welke poging om de “onderwijskwaliteit” te meten) in één enkel (of een klein aantal) score(s) zou kunnen worden samengevat. Toch is dit precies hoe de PISA rankings vaak worden geïnterpreteerd, en zeker door politici en de media. Met het vooruitzicht van de nieuwste PISA resultaten van 2018, willen we dan ook zeker meegeven dat voorzichtigheid bij de interpretatie van groot belang is en hopen we dat lezers verder kijken dan de grote krantenkoppen. Vooral aanbevelingen om onderwijsstelsels die volgens PISA het beste presteren te kopiëren moeten vermeden worden. In plaats daarvan verdient het aanbeveling om in het achterhoofd te houden dat de outputs van een onderwijsstelsels veelzijdig zijn – en dat landen die sterk presteren op een bepaald domein dit niet noodzakelijk doen op een ander.

About the author(s)

Rolf Strietholt

Dr. Rolf Strietholt is a researcher at Technische Universität Dortmund. He is also affiliated with the University of Gothenburg. His current interests lie in the field of international comparisons of edu- cational systems, so-called comparative education, and include educational effective research studies with a special focus on measuring and explaining inequalities in student performance.

Olesya Gladushyna

Olesya Gladushyna works at the Centre for Research on Education and School Development at TU Dortmund University in Germany. Her research projects focus on the analysis of the international large-scale assessments in education and elaboration of policy recommendations on school effectiveness.

Andrés Strello

Andrés Strello is a Research Fellow and PhD Student at the Center for Research on Education and School Development (IFS) at TU Dortmund University in Germany. He is currently participating in the European Training Network OCCAM which supports his research on the normative and theoretical implications behind the measurement of educational inequality.