Phil Parker

Deze blog is vertaald naar het Nederlands door Emilie Franck.

Stel je voor dat je een beleidsmaker bent met de opdracht om het onderwijssysteem van je land radicaal te herzien. Je krijgt een enorme lijst met allerlei tegenstrijdige eisen, die allemaal met absolute zekerheid worden gesteund door de voorstanders. Moet je luisteren naar de economen die de vrije schoolkeuze willen uitbreiden? Of wat met de populaire eis dat we het ‘Finse wonder’ moeten na bootsen – moeten we echt proberen om het Finse systeem te kopiëren? Wat dacht je van een terugkeer naar het goede oude systeem van tracking zoals in Duitsland of Nederland? Empirische data bestaan, maar het grote deel van de meest kwaliteitsvolle data gaan over interventies op lokaal niveau, die niet veel zeggen over hoe een bepaald beleid het hele onderwijssysteem zal beïnvloeden.

Daarom zijn kwaliteitsvolle, herhaaldelijke en internationale studies zoals PISA zo waardevol. Ze stellen beleidsmakers in staat om landen met verschillende beleidsomgevingen te vergelijken op een gemeenschappelijke schaal; geletterdheid, rekenvaardigheid en wetenschappelijke prestaties. Beleidsmakers kunnen bovendien ook leerlingprestaties doorheen de tijd vergelijken om het effect van bepaalde beleidsmaatregelen op de prestaties van leerlingen, na te gaan.

Beleidskwestie: is stratificatie op basis van leerling-vaardigheden een goede of slechte zaak?

Met behulp van PISA vroegen we ons af: doen landen waar scholen worden gestratificeerd op basis van leerling-vaardigheden het beter in PISA-testen dan landen die dat niet doen? Stratificatie komt tot stand door veel verschillende beleidsmaatregelen zoals het tracken van leerlingen, privaat onderwijs, selectieve scholen en/of magneetscholen, vrij schoolkeuze en het wervingsbeleid in landen die sterk geografisch gessegregeerd zijn door inkomen en rijkdom. Al deze beleidsmaatregelen leiden ertoe dat hoogpresterende leerlingen samen terecht komen in scholen en gescheiden worden van laagpresterende leerlingen. De volledige tekst van ons artikel is hier beschikbaar.

Er zijn veel goede redenen om beleidsmaatregelen in te voeren die de stratificatie in het onderwijssysteem bevorderen. Misschien kunnen slimmere kinderen alleen floreren als ze onder hun gelijken worden opgeleid. Leraren kunnen hun lesgeven beter afstemmen op het niveau van de leerlingen. Vrije schoolkeuze kan ouders de ruimte geven om een school te kiezen dat het best bij hun kind past. Maar, stratificatie kan ook negatieve effecten hebben. In niet gestraficeerde klassen hebben laagpresterende leerlingen de kans om de hulp in te roepen van hoogpresterende leerlingen. Hoogpresterende leerlingen verkrijgen mogelijks op hun beurt een beter begrip van de leerstof door het te onderwijzen aan laagpresterende leerlingen. Bovendien blijkt uit diverse studies dat leerlingen die naar selectieve scholen gaan, minder gemotiveerd zijn, minder zelfvertrouwen hebben en minder geintresseerd zijn dan leerlingen met een vergelijkbare opleiding in comprehensieve scholen. Deze effecten zijn bovendien erger in landen met meer stratificatie.

Onze bevindingen

Vertrekkende van deze tegenstrijdige opvattingen omtrent de praktijk van stratificatie, hebben we de PISA-data van vijf rondes verzameld om de relatie tussen de de mate van stratificatie in een onderwijssysteem en het gemiddelde prestatieniveau na te gaan. Daarnaast hebben we ook nagegaan of veranderingen in de mate van stratificatie gepaard gaat met veranderingen in het gemiddelde prestatieniveau. De figuur hieronder geeft dit laatste grafisch weer. Landen waar de stratificatie is toegenomen doorheen de tijd, hebben te maken met een daling van het gemiddelde prestatieniveau.

Conclusie

Ons onderzoek toont aan dat een hogere mate van stratificatie op basis van leerling-vaardigheden in een onderwijssysteem, gepaard gaan met lagere gemiddelde leerlingprestaties. Kunnen we dan stellen dat beleidsmakers hun beleid moeten aanpassen op basis van onze resultaten? Als je louter naar dit onderzoek kijkt: nee. Maar de resultaten zijn wel verhelderend en als je in acht neemt dat heel wat voorgaande studies dezelfde conclusies trekken, moeten beleidsmakers misschien toch overwegen om meer egalitaire onderwijssystemen na te streven.

About the author(s)

Phil Parker

Professor Phil Parker is the Deputy Director of the Institute for Positive Psychology and Education at the Australian Catholic University. He received his doctorate in Educational Psychology from the University of Sydney. His major research interest includes educational inequality, developmental transitions, and educational attainment.